Bedrijven kunnen zelf bepalen in welke mate zij de deeltijd WW nodig hebben en voor welk deel van hun personeel. Wel komt er een drempel. Bedrijven moeten de werktijd van werknemers met minstens 20 procent verkorten en het voornemen hebben minimaal zes maanden van de regeling gebruik te maken. Ook wordt de regeling zo aangepast dat naarmate bedrijven meer personeelsleden in de deeltijd-WW plaatsen, zij er korter gebruik van kunnen maken. Als minder dan 30 procent van het personeel er gebruik van maakt, mag de uitkering 15 maanden duren. Tussen 30 en 60 procent is dit 12 maanden en bij meer dan 60 procent wordt de duur 9 maanden. Ook gaat de verlenging niet meer met periodes van zes maanden, maar met periodes van drie maanden, zodat bedrijven bewuster omgaan met extra gebruik van de regeling.
Bij het constateren van een fraudegeval, wordt de deeltijd-WW in het hele bedrijf stopgezet en moeten alle - ook terecht ontvangen - uitkeringen worden terugbetaald. De werknemer betaalt de uitkering terug waarvan is vast komen te staan dat die onterecht is verkregen. De werkgever moet alle overige uitkeringen terug betalen. Bovendien gaan UWV en de Arbeidsinspectie strenger controleren op fraude met deeltijd-WW.
Tot slot is de scholingsbepaling in de regeling aangescherpt. Bedrijven kunnen geen verlenging van deeltijd WW krijgen, als niet duidelijk is dat de deeltijders ook echt scholing (gaan) krijgen. Ook is bij onjuiste opgave van scholing door het bedrijf de frauderegeling van toepassing. Daarnaast is een mogelijkheid gecreëerd voor een meester-gezel-regeling. De deeltijders mogen in het bedrijf scholing geven aan stagiaires en werknemers die korter dan een jaar in dienst zijn. Op die manier worden twee vliegen in één klap geslagen: er wordt iets gedaan aan het tekort aan stageplaatsen en de deeltijders hebben de mogelijkheid toch van nut te zijn voor het eigen bedrijf.
Bron: SZW
< vorige terug volgende >







