Waarbij:
A = aantal gewogen dienstjaren
B = beloning
C = correctiefactor
Voor de berekening van A (aantal gewogen dienstjaren) wordt de diensttijd berekend aan de
hand van de dienstjaren, de leeftijd bij aanvang van de arbeidsrelatie en de leeftijd bij
beëindiging van de arbeidsrelatie:
1. dienstjaren, afgerond op hele jaren, tot het bereiken van de leeftijd van 35 jaar tellen
voor 0,5
2. dienstjaren, afgerond op hele jaren, tussen de leeftijd van 35 en 45 tellen voor 1
3. dienstjaren, afgerond op hele jaren, tussen de leeftijd van 45 en 55 tellen voor 1,5.
4. dienstjaren, afgerond op hele jaren, vanaf het bereiken van de leeftijd van 55 jaar tellen
voor 2.
Bij de berekening van B (beloning) wordt uitgegaan van het bruto maandsalaris, in ieder
geval vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag,
een vaste dertiende maand, een structurele overwerkvergoeding en een vaste ploegentoeslag. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen zullen niet tot B (beloning) worden gerekend: het werkgeversaandeel pensioenpremie, de auto van de zaak, onkostenvergoedingen, de werkgeversbijdrage in de zorgverzekeringspremie en incidentele en niet overeengekomen looncomponenten.
De toelichting bij de kantonrechtersformule meldt dat ‘werkgeversbijdragen in de pensioenpremie’ als uitzondering voor de vaststelling van B in aanmerking genomen kunnen worden, bijvoorbeeld indien een oudere werknemer als afwijkende arbeidsvoorwaarde heeft bedongen dat een aanzienlijk deel van de beschikbare loonsom zal worden “voldaan” in de vorm van een premiestorting in een pensioenfonds.
Bij statutair bestuurders was het tot voor kort niet ongebruikelijk dat de werkgeversbijdrage pensioenpremie meetelde bij de vaststelling van de B-factor (beloning). Met name was dit het beleid van de Rechtbank Amsterdam.
Recent heeft de Rechtbank Amsterdam haar beleid hieromtrent echter gewijzigd. In twee uitspraken van 22 december 2009 (LJN BK7262) en 28 januari 2010 lichtte de Rechtbank haar wijziging toe. Onder meer valt in de uitspraken te lezen dat zij “… niet meer als uitgangspunt hanteert dat het werkgeversdeel pensioenpremie bij het berekenen van de B-factor wordt meegewogen als het gaat om een statutair bestuurder.”
Derhalve kan worden geconcludeerd dat de (nieuwe) kantonrechtersformule in Nederland steeds strikter wordt toegepast.
< vorige terug volgende >







