Pleit beslecht in de RVU-discussie

woensdag 04 juli 2018

De Hoge Raad heeft op 22 juni 2018 een einde gemaakt aan het strenge beoordelingskader van de fiscus met betrekking tot de zogenoemde RVU-boete. Het wordt voor werkgevers vanuit een fiscaal oogpunt weer een stuk aantrekkelijker om de optie van een vrijwillige vertrekregeling aan te bieden tijdens een reorganisatie.

In de betreffende zaak was de werkgever in verband met een reorganisatie, voor haar werknemers een sociaal plan overeengekomen met een aantal vakbonden. In dit sociaal plan was een zogenoemde ‘vrijwilligers- en plaatsmakersregeling’ opgenomen. Werknemers die gebruik maakten van deze vrijwillige vertrekregeling, ontvingen een beëindigingsvergoeding waarvan de hoogte is gebaseerd op de oude kantonrechtersformule. De vergoeding bedroeg maximaal de te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, waarbij rekening werd gehouden met de uitkeringsrechten waar een werknemer aanspraak op kon maken.

De werkgever had de fiscus verzocht om de vergoeding uit deze regeling niet aan te merken als een vergoeding uit hoofde van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Indien de fiscus immers zou beoordelen dat de vergoeding wel als zodanig dient te worden aangemerkt, dan legt de fiscus een boete op aan de werkgever van 52% over de bruto (ontslag)vergoeding. De fiscus heeft in deze zaak het verzoek van de werkgever afgewezen, ten onrechte zo zegt de Hoge Raad nu in haar uitspraak van 22 juni 2018.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is bepalend bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een RVU, of de uitkeringen of verstrekkingen in verband met de vrijwillige vertrekregeling bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de werknemer. De beweegredenen van de werkgever voor het aanbieden van deze uitkeringen doen in dit verband niet ter zake. Dat geldt evenzeer voor de intenties en keuzes van de werknemer om voor de vrijwillige vertrekregeling te kiezen.

Aan de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen wordt geen betekenis toegekend in dit kader. Volgens de Hoge Raad moet de belastinginspecteur de objectieve kenmerken en voorwaarden van de betreffende regeling beoordelen en niet het feitelijke resultaat. De beoordeling of er sprake is van een RVU kan dus vooraf worden gemaakt en dient niet de geschieden aan hand van de achteraf blijkende feitelijke uitstroom van werknemers.

Conclusie

Met de uitspraak van de Hoge Raad is nu duidelijk dat indien een (direct) verband met leeftijd ontbreekt bij vrijwillige vertrekregelingen, er geen sprake is van een RVU. De verwachting is dat als gevolg van deze uitspraak, het beleid van het ministerie van Financiën ten aanzien van de RVU op korte termijn zal worden gewijzigd of ingetrokken.

Mocht u nog vragen hebben naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u contact opnemen met Pieter de Ruiter.